In de tijd toen het Waterschap de Berkel leegdregde, en het Berkelpad tussen het Witte Bruggetje en de Kapperallee was afgesloten, wandelden daar toch veel mensen uit de buurt hoewel dat verboden was d.m.v. een bordje van het Waterschap. Met en zonder hond. Ook ik, met een vriendin. Zonder hond echter. We slalomden voorzichtig tussen de modderbergen door, en ik had mijn vriendin op het hart gedrukt met geen voet op het land van de boer te komen omdat dat helemaal geen fijne jongen is.

Ik was liever over het Kerkpaadje gegaan maar dat durfde ik toen al niet meer omdat ik de onverholen agressie van de nieuwe boer meteen al had bemerkt nadat hij er was komen wonen. Er was op dat moment geen prikkeldraad om het land van de boer, ik neem aan om het Waterschap het werk met grote machines mogelijk te maken. Zo liepen wij dus heel voorzichtig op onze tenen naar Huize de Voorst toe langs de Berkel. Dan komt er over het weiland een monsterlijk grote gitzwarte terreinwagen op ons af geraasd vanuit de richting van de Kapperallee. Ik voel al wat er gaat gebeuren en mijn benen worden week. De wagen stopt een paar meter van ons af. Het raampje staat open. Eruit komt een stem die zo agressief en bedreigend is dat ik er geen woorden voor heb. De woorden zijn als mitrailleurvuur. We hadden daar ter plekke moeten sterven, dat was duidelijk.
Meer wil ik er niet over zeggen. We zijn teruggelopen en mijn vriendin durft nu, jaren later, nog steeds niet langs het Berkelpad te lopen.

De twee nare ervaring was een poosje later. Ik liep ’s avonds met een vriend van Huize de Voorst terug naar huis. Langs het Kerkpaadje, want mijn vriend vond het onzin wat ik had verteld, en helemaal niet nodig dat ik terughoudend was om daar langs te lopen. Nu was hij er immers bij.

Het was schemerig, een uur of half tien. De boer was bezig met ingekuild gras, met een gigantisch landbouwwerktuig. Hij reed de plek van het ingekuilde gras af en draaide zijn vervaarlijke machine naar ons toe. Reed op ons af. Wij gingen beleefd in de berm staan om hem voorbij te laten, in de veronderstelling dat hij in de richting van de Kapperallee wilde rijden. Maar hij stopte. Wij stonden in de berm in het felle licht van  reusachtige koplampen. En toen kwam er een vuurspuwende stem uit dat monster. Van de boer, of een hulp van de boer. Wat we daar moesten. Nou, gewoon, een avondwandeling over de openbare weg antwoordde mijn vriend. Hoe kon hij weten dat wij geen inbrekers waren? Nou, omdat we dat niet waren, alleen maar wandelden over de openbare weg. Ik was weer doodsbang, en mijn vriend werd dat allengs ook. Uiteindelijk mochten we doorlopen. Maar dat was duidelijk de laatste keer dat hij zo vriendelijk voor ons was.